Nachtstruweel

De vakantie met Ellen is begonnen. We worden uitgezwaaid door haar moeder. Die had aanvankelijk wel bezwaar tegen onze vakantie zonder ouders, maar toen ik vertelde dat we naar een jeugdcamping met toezicht zouden gaan, zette zij haar bezwaren opzij. Een goedgelovige schoonmoeder, ik stak de vlag uit.

Als de bebouwde kom achter ons ligt, parkeren we onze fietsen en zoeken een rustig plekje. Zoenen willen we, lang zoenen.

Waar gaan we heen?, vraagt Ellen. Ze wil wildkamperen, zonder toezicht. En zo doen we dat.

Een weilandje aan de rand van een bos, grotendeels aan het zicht onttrokken.

We zetten de tent niet op, zeg ik, we slapen wel in de open lucht.
Ellen knipoogt, zij denkt nog helemaal niet aan slapen.

De avond is lang en zinnelijk. Er gebeuren buitengewone dingen. Ik kan er geen woorden voor vinden. Jan Engelman is daar beter in, hij staat op mijn literatuurlijstje.

Zacht branden

Zacht branden van de teedre lenden:
een wiegeling, een wit satijn
aan mijne handen, de gewenden,
die met haar leest verzameld zijn

tot éénen slag en in het stuwen
des bloeds niet laten van hun wit.
Die stem, die stameling bij ‘t huwen:
wie zijt gij? – En het diepst bezit

de tweelingster, haar oogen, weergevonden
in de golven en het nachtstruweel
der haren, stroomende ontbonden
op dezen schouder en haar prille keel.

(uit ‘Tuin van Eros’ van Jan Engelman)

illustratie: Henk Wiegersma in de bundel “Tuin van Eros”

Gitaarmeisje
Grenzeloos

Over MOSje.iS

MOSje.iS van alles wat en zelfs dat niet helemaal

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*